Navigatie overslaan.
Start
tegen de lawaai- en trillingsoverlast van het Zeeuwse spoor

Professor Twan Tak: 'Koop maar oordopjes of verhuis'

Ja dat zei de prof op de ledenvergadering van BAS op maandag 21 mei in Biezelinge. Het was geen uiting van desinteresse of hardvochtigheid, professor Twan Tak is zeer betrokken bij de zaken van actiegroepen als BAS, maar hij is ervan overtuigd dat het pad dat BAS tot nu toe heeft gevolgd, ons recht te halen bij de Raad van State, doodloopt. En hij had vele argumenten en voorbeelden om dat aan te tonen. 'Een daadwerkelijk doorbreken van deze wantoestanden is enkel mogelijk via de politiek', zo conludeerde hij. Hieronder de volledige voordracht.

ACTIE IN RAADSZAAL OF RECHTSZAAL? prof.mr. A.Q.C. Tak LEZING BAS 21 mei 2007

Geachte toehoorders,

Laat ik beginnen met mijzelf wat nader aan u voor te stellen. Mijn naam is, zoals u al weet, professor Tak; niet te verwarren met de Nijmeegse Tak. Neefje Peter uit Nijmegen is zogezegd de Nijmeegse Tak of de straf-Tak, ikzelf ben de Maastrichtse Tak of de staatsrecht-Tak. We schijnen wel aan dezelfde boom te zitten, al hebben we de gemeenschappelijke wortels nog niet gevonden.

Nou doe ik naast staatsrecht ook het nodige aan bestuursrecht en bestuursprocesrecht, en dat is de reden waarvoor ik uitgenodigd ben om vanavond een lezing voor u te houden.

Uitdrukkelijk niet de reden is dus, dat ik ook adviseur ben van het bureau Bestuursjuridische Advisering B.V. dat zich professioneel bezig houdt met het verstrekken van adviezen en het verlenen van bijstand in bestuursrechtelijke kwesties. Nog duidelijker gezegd: ik ben niet ingehuurd als uw raadsman voor de kwestie van het Tracébesluit Sloelijn en wat daar mee samenhangt, en voor alle duidelijkheid: ik zou mij daar, na bestudering van uw dossiers, ook niet voor laten inhuren. Waarom niet, daar kom ik nog uitvoerig aan toe.

De vraag is wel, wat u verwacht van deze lezing en wat u eigenlijk daarvan kunt verwachten, en wat niet. De afspraak met uw bestuur is zeer ruim. Bij de voorbereiding hebben we wederzijds stukken uitgewisseld: ik heb voornamelijk uitspraken ontvangen van de Raad van State over de Sloe-lijn en wat daar mee samenhangt, en uw bestuur heb ik ter voorbereiding geattendeerd op een eerdere bijdrage van mijn hand voor de Limburgse milieufederatie over soortgelijke problematiek: ik meen dat die boodschap vooraf ook aan u is doorgegeven?

Het resultaat, het thema van vanavond komt eigenlijk al helemaal tot uitdrukking in de titel van deze lezing: waar moet een belangengroep als BAS haar acties voeren: in de raadszaal of in de rechtszaal? Moet zij zijn bij de politiek of bij de rechter?

Het antwoord daarop is, als gezegd, door u aan mij voorgelegd als wetenschapper, niet als raadsman. Het gekke is namelijk, dat het antwoord dan waarschijnlijk ook anders zou moeten uitvallen. Om dat duidelijk te maken, moet u eerst weten, dat het recht -- want u zoekt uw recht -- op zich helemaal niet zo'n duidelijk begrip is. Velen zullen zeggen dat het recht toch de norm is van het behoren; van rechtvaardigheid en rechtszekerheid. Anderen zullen antwoorden dat het recht is wat in de wet staat, in de voorschriften van de overheid. Beiden hebben dan gelijk, maar het resultaat kan zeer verschillend zijn. Dat zal aanstonds duidelijk zijn als we bedenken dat de voorschriften van een overheid helemaal niet rechtvaardig hoeven te zijn. Ik hoef slechts de voorschriften in gedachten te roepen van de bezetter in de jaren '40-45, of van willekeurig welk ander dictatoriaal en absolutistisch bewind dan ook.

Maar van de andere kant: mogen we aan de wetten het gezag van recht ontkennen omdat wij persoonlijk de mening zijn toegedaan, dat ze niet rechtvaardig zijn? Dat zou waarschijnlijk tot grote verschillen van maatschappelijke opvattingen leiden en uiteindelijk tot afbreuk van staatsgezag en staat. Dat kan overigens heel juist en heel goed zijn als die overheid geen rechtvaardige overheid meer is, maar wie maakt dat uit?

Daarmee komen we aan het probleem van vandaag. Moet u volgens de regels van het recht in de raadszaal, bij de politiek, zijn met uw grieven en uw ongerustheid, of moet u in de rechtszaal zijn en een oordeel vragen aan de rechter?

Als gezegd is het antwoord verschillend naargelang dat wordt gegeven door de wetten van dit land (dat noemen we wel het positieve recht, zoals dat op een bepaalde tijd en een bepaalde plaats geldt), of dat het wordt gegeven door een meer abstract recht, dat meer van alle tijden en plaatsen is (een soort natuurrecht of recht van nature). Dat laatste recht is veel moeilijker te vinden en geeft veel minder houvast: het staat niet in de wetten, althans daar mag men niet van uitgaan. Het moet worden gezocht in de bron die alle recht in stand houdt, en die niet veranderlijk is, hoewel haar rechtsstroom zich vormt naar tijd en plaats. Die bron is voor velen, zeker in dit Zeeuwse land, de Allerhoogste.

Anderen echter erkennen die bron niet. Dat betekent, dat zij er zich ook niet aan gebonden achten. Kunnen wij hen dan toch dwingen om uit die bron te drinken: dus het recht aan te nemen zoals het voor ons voortkomt uit de Bijbel? Maar dan hebben anderen datzelfde recht voor wat betreft de Koran, of andere godsdienstige of levensbeschouwelijke bronnen. Het resultaat kan dan niet anders zijn, dan dat er vele soorten recht naast en tegenover elkaar zouden bestaan. Dan kan het recht echter zijn functie niet meer waar maken: het ordenen van een vreedzame samenleving naar door de gehele gemeenschap aanvaarde normen van behoren. Daarom kan ik voor het begrip recht geen vrede hebben met een bron die niet door iedereen kan worden gedeeld. Is er dan wel zo'n bron? Ik meen van wel: Het is de mens zelf! Alleen de mens is voor mij bron van recht en van democratie en van overheid. De mens zelf is de totalitaire bron van alle recht: zijn unieke en oorspronkelijke persoonlijkheid is zowel oorsprong als doel van alle recht. De onvervreemdbare rechten en autonomie van de mens, van het individu, is de bron van het recht. Zij is per definitie onbeperkt; zij strekt zich uit over alle facetten van het menselijk bestaan: leven, werken, wonen, verkeer, enz., enz. Onbeperkt? Ja, maar dat geldt dan wel voor eenieder die mens is: ieder kan dus individueel aanspraak er op maken aldus bron en object te zijn van het recht. Hoe is dat dan verenigbaar met de grote tegenstellingen en verschillen tussen al die mensen? Slechts op één manier. En dat is de erkenning, dat al deze mensen gelijkwaardig zijn -- niet gelijk, dat is onzin. En dit is dan ook (terecht indien men het ook aldus begrijpt, en niet als een idiote claim op volstrekt gelijkheid, op een monochrome witkwast) de vlag op onze Grondwet, artikel 1, het gelijkheidsbeginsel. En juist de wederzijdse erkenning van die absolute en volledige menselijke waardigheid, in wederkerigheid tot elkaar, dat is de oernorm van alle recht, door alle tijden en plaatsen heen. Zij kan hanteerbaar worden gemaakt in de ‘gulden regel' van oud Procureur-Generaal en wijsgeer prof. Langemeijer: de norm voor alle gedrag is dat men de medemens behandelt zoals men zelf behandeld wenst te worden. Dat is naar ik meen overigens ook de hoofdnorm van de Bijbel en van alle godsdienstige en levensbeschouwelijke boeken, maar dit terzijde. Het is dus een norm, die uitgaat van de mens: zij ligt ten grondslag zowel aan de democratie als aan de rechtsstaat. Daarom kan ik het ook niet eens zijn met een visie zoals die wel wordt verkondigd vanuit gereformeerde grondslag, dat de Allerhoogste de bron is van alle recht, van overheid, democratie en rechtsstaat. Het moet helaas worden gezegd, maar die opvatting acht ik regelrecht bedreigend voor het begrip recht zelf, voor democratie en rechtsstaat. Zij plaatst de mens onder staat en overheid, in plaats van daar boven. Zij leidt tot opvattingen, zoals we vandaag de dag in een beweerd democratische rechtsstaat als Nederland helaas officieel aanhangen, dat de overheid niet vervolgbaar kan zijn voor misdrijven[1], en niet aanspreekbaar uit onrechtmatige gezagsuitoefening[2]. Zij heeft mij gebracht tot mijn ultieme veroordeling, dat Nederland dus eigenlijk geen democratische rechtsstaat meer mag heten.

Vanuit deze zware aanzet nu, kan ik als wetenschapper ook komen tot een beantwoording van de mij voorgelegde vraag van raadszaal of rechtszaal. Dat antwoord geef ik u dus, u moet mij ten goede houden, als wetenschapper, vanuit de door mij als juist aangehangen wetenschapsopvatting zoals ik u die zoëven heb verantwoord. Wie die om welke reden ook onaanvaardbaar acht, kan zijn of haar tijd dus beter gaan besteden; wij zullen helaas wel nimmer tot elkaar komen.

Welnu, toen onze voorouders nog in dierenvellen liepen, ontstond er ook al wel eens een ruzietje, bijvoorbeeld over een vrouwtje of over de jachtbuit. Dat werd toen nog meteen beslecht met de knots of de ezelskaak en dat was dat. Maar toen er ook klappen vielen op de omstanders, vond men het raadzaam om een lijn om de strijdende partijen te spannen, een ring, waarbinnen ze het zelf maar moesten uitvechten. En toen men op een wat hogere trap van beschaving kwam, raakte men de mening toegedaan dat er toch wel elementaire regels in acht moesten worden genomen bij zo'n gevecht. Er werd iemand van de omstanders aangewezen als scheidsrechter; een niet ongevaarlijk baantje. We zien zoiets vandaag de dag nog in de boksring en andere vecht-ringen. Bij het ontstaan van stamverbanden en hoofden daarvan, werd het de taak geacht van het stamhoofd om te zorgen voor die vechtplaatsen en die scheidsrechters. Aldus zijn de rechtszaal en de rechter voortgekomen uit de primitieve ring-gevechten. Het beeld is nog altijd uiterst verhelderend voor wat in de kern de functie is van rechtspraak en rechter. Het gaat om geschillen tussen individuen, die mogen strijden over belangen die alleen henzelf aangaan, afgebakend dus, op een door de overheid aangewezen plaats en onder scheidsrechterschap van een rechter die beslist. Als anker voor de rechtspleging in heel Europa, dus ook in Nederland, functioneert vandaag de dag artikel 6 van het Verdrag van Rome uit 1950, het EVRM. De allerbelangrijkste eerste volzin van lid 1 daarvan luidt in de Nederlandse vertaling:

"Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld." Het is de verwoording van de ringrechter in het derde millennium. Het is het hart van heel de Nederlandse rechtspraak; civiel, strafrechtelijk of bestuursrechtelijk.

Toetsen we hieraan nu eens de door u gestelde vraag: moet u met uw geschillen over de Sloe-lijn en wat daarmee samenhangt zijn bij dat onafhankelijke en onpartijdige gerecht (als onze Raad van State tenminste zo gezien mag worden, maar dit terzijde)?

Ik meen van niet. De (overigens zeer te respecteren) belangen van uw vereniging betreffen belangen van een hele groep, een open groep, waar mensen uit verdwijnen en bij kunnen komen. Het is als bij wetgeving: die betreft ook altijd open groepen, in tegenstelling tot beschikkingen, die individueel afgebakende groepen of individuele personen betreffen. Tegen wetgeving staat in Nederland ook geen beroep open bij de bestuursrechters, en meer in het algemeen is het aan rechters verboden om uitspraken te doen ‘bij wege van algemene verordening, dispositie of reglement'. Zo luidt het reeds in het nog altijd geldende artikel 12 van de Wet algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk van 1829. En volgens artikel 11 van diezelfde wet moet de rechter rechtspreken volgens de wet en is het hem absoluut verboden om te oordelen over de innerlijke waarde of de billijkheid van wetten. En ook de geciteerde tekst van artikel 6 EVRM ziet enkel op concreet naar personen afgebakende rechten en plichten: "zijn burgerlijke rechten en verplichtingen" of "een tegen hem ingestelde vervolging"; in de Engelse tekst: "the determination of his civil rights or obligations or of any criminal charge against him". De oer-gedachte en oorsprong van alle rechtspraak komt erin tot uitdrukking: men kan aan een rechter alleen maar vragen om uitspraken over de eigen rechten en plichten of vervolgingen, niet om die van zijn buurman of van het hele land. Voor dat laatste moet men bij een andere instantie zijn die daarvoor in een rechtsstaat het aanspreekpunt is. En dat is de politiek, de verantwoordelijke bestuurder, onder controle van de volksvertegenwoordiging, die de hoogste macht in de staat is uit naam van alle burgers. Daar, en dat is dus in de raadszaal en niet in de rechtszaal, kunnen problemen worden voorgelegd die het individu overstijgen, die het eigen persoonlijk belang overstijgen, en belangen zijn van onbepaalde groepen uit de samenleving, ja van die hele samenleving zelf.

Hiermee, en dat kan niet anders luiden, heeft u het juiste wetenschappelijke antwoord. In de ons omringende landen en in Europa kent men dan ook geen algemeen-belangacties bij de rechter. Milieugroepen zijn daar niet ontvankelijk, zoals Greenpeace moest ondervingen in haar actie tegen Spanje[3] bij het Hof van Justitie van de EG, of, een veel schrijnender voorbeeld: de inwoners van het eiland Mururoa in hun vergeefse poging om rechterlijke bescherming te krijgen tegen de Franse kernproeven[4].

Een hard en duidelijk antwoord dus vanuit de wetenschap. Maar uiteraard te hard voor onze steeds softer wordende samenleving. En daarmee moet ik toekomen aan het volkomen andersluidende antwoord vanuit de huidige Nederlandse regelgeving, het positieve recht dus.

Maar voor ik dat doe, moet ik wel een waarschuwing plaatsen. In Nederland meent men tot aan de Hoge Raad toe, dat de Nederlandse wetten het hoogste positieve recht geven. Dat is gewoon niet waar. Het hoogste geldende recht in Nederland geeft niet de wet, niet de formele wet, zelfs niet de Rijkswet, en zelfs ook niet de Grondwet: het is te vinden in het rechtstreeks werkende Verdrag, zoals het Europese Verdrag inzake de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, het EVRM, en in de volkenrechtelijke normen en in de algemene rechtsbeginselen. Steeds duidelijker worden dan ook de signalen, waarin Nederland internationaal wordt afgestraft voor zijn te bekrompen opvatting van wat in Nederland geldend recht, positief recht, zou zijn.Met de dag neemt ook de omvang toe van het boven Nederland gevormde recht waaraan Nederland wel degelijk volledig onderworpen is. Ik verwacht dan ook zonder meer, dat op korte termijn een steeds hardere correctie zal plaatsvinden van buitenissigheden zoals men zich die in dit land nog steeds meent te kunnen permitteren, zoals algemeen-belangactie (actio popularis) en groepsacties. Dit soort acties komt van maatschappelijke groepeningen en is steeds vaker materieel niet gericht tegen de overheid, maar tegen medeburgers, individuen en groepen. Het zijn de acties van een soort pseudo-politieagenten, die natuurlijk de overheid zeer welkom zijn en in de rechtszaal de grootste successen kennen. Het zijn de acties van figuren als Volkert van der G. Het zijn in ieder geval geen acties voor de eigen, individuele, persoonlijke, van andere te onderscheiden, belangen.

Nog niet zo heel lang geleden waren die acties ook in ons land helemaal niet mogelijk.

Het ontstaan ervan moet worden gezocht in de parlementaire geschiedenis van de Wet Arob. Tot in de zeventiger jaren was dit soort categoriale acties bij de rechter steevast niet-ontvankelijk geacht. In de discussie over het beroepsrecht voor organisaties als de Vereniging tot behoud van de Waddenzee liet de toenmalige Minister van Justitie (Van Agt) zich echter verleiden tot de toezegging, dat hij met een wetswijziging zou komen, als de Afdeling rechtspraak het begrip ‘rechtstreeks belang' in de Wet Arob niet zó ruim zou gaan interpreteren dat dit soort organisaties er onder zou vallen.

Kort hierop ging al meteen de Kroon om, die tot dan toe onder de Wet BAB afhoudend was gebleven.[5] Het begon hier in Zeeland, met de kerncentrale van Borssele[6]. Ook de echte rechters gingen toen (uiteraard) door de bocht.

Met name bij de Kroon en de Afdelingen van de Raad van State heeft vervolgens het groeps- en algemeen-belangberoep van verenigingen en andere rechtspersonen een grote vlucht genomen.

Onder de Algemene wet bestuursrecht heeft dit wettelijke verankering gekregen in het derde lid van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht: "Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen".

En nog in 1996 kwam de Voorzitter van de Afdeling bestuurs­rechts­praak van de Raad van State, Boukema, op voor deze collectieve acties.[7] Volgens hem komt een ‘herkansing' bij de bestuursrechter er vaak toch van, omdat individuele belanghebbenden ook een rechts­­ingang hebben. En voorts kan een rechtsingang voor belangengroeperingen onlustgevoelens die bij de burgers leven ‘kanaliseren'.

Deze overwegingen mogen misschien feitelijk juist zijn, zij kunnen daarmee voor mij nog geen argument zijn voor een rechterlijk optreden op verzoek van collectiviteiten.

De eersten die aan het mopperen sloegen, waren de bestuurders. Dit is met name gemarkeerd in het beruchte rapport-Van Kemenade, Bestuur in geding[8]. Die regenten klaagden, dat de rechtsbescherming was doorgeslagen; dat het belang van een enkeling (of zelfs van een of ander ‘eng diertje') grote projecten kon blokkeren. En het optreden van milieu- en actie­groepen kwam deze bestuurders de keel uit[9].

Deze bestuurderen vergaten, dat een burger die wordt getroffen door een overheidsmaatregel, onder de huidige wetgeving niet anders kán dan die maatregel zelf voor vernietiging voor te dragen. Zou hij al alleen voor zijn eigen, persoonlijk belang willen opkomen, dan nog blijft hem de toegang tot de gewone rechter ontzegd. Hij mist dus de mogelijkheid om bij een echte rechter alleen maar over het eigen nadeel te klagen en verder het overheidsbeleid het overheidsbeleid te laten, als hij niet eerst het hele besluit heeft aangevallen... Dat is zorgvuldig zo gedaan om te voorkomen dat echte rechters, zoals de Hoge Raad der Nederlanden, en niet de regenten van de Raad van State, zouden oordelen over het beleid van de overheid (met name het z.g. ordeningsbeleid, dat uiteraard vooral in het belang is van de ondernemers). Wie is dan eigenlijk de veroorzaker van deze juridisering, kan men zich afvragen? En vervolgens klagen dan diezelfde bestuurders, dat de bestuursrechters op hun stoel zijn gaan zitten, en geven ze vreselijk af op ‘juridisering' en ‘claimcultuur' en gaan ze diskwalificaties be­zi­gen als ‘NIMBY's': Not In My BackYard.

De rechter heeft hieraan zijn oor geleend en corrigeert de overheid nog alleen nog maar als formeel sprake is van wetsschending. Van een eigen inhoudelijke beoordeling wil de Raad van State niets meer weten[10]. Het als gevolg daarvan ontstane beeld van de bestuursvriendelijke rechter heeft sommige instanties er zelfs toe gebracht het procederen te staken. De organisatie Das & Boom, die streed tegen o.a. de aanleg van de A73 op de oostoever van de Maas, besloot eind 2002 ermee op te houden'. Volgens de organisatie was het zó duidelijk dat de over­heid een verkeerde beslissing had genomen met de A73, dat het niet anders kón, dan dat de Raad hun bezwaren zou volgen. Er bestaan allerlei wetten en regels, nationaal en Europees, waar­uit blijkt dat je de natuur op de oostoever niet mag belasten als er alternatieven zijn. Maar toch ging het mis. Dit was duidelijk een politieke beslissing. Wij doen niet meer mee met deze folklore'[11].

Soortgelijke ervaringen kan men overal elders waarnemen, zoals bij de Vereniging Geen Uitbreiding Vlieg­veld Beek naar aanleiding van de beruchte uitspraken van de Raad van State op ‘Zwarte woens­­dag'[12] en ‘Aswoensdag'[13].

Naast deze inhoudelijke terugtred is er ook een kentering gekomen in de ruime ontvankelijkheid van milieugroepen en andere belangengroeperingen.

De Afdeling rechtspraak was geleidelijk aan al terughoudender geworden. Dat begon bij organisaties die niet specifiek werkzaam waren op terreinen als ruimtelijke ordening, milieu, natuur of monumentenzorg. Vooral de standsorganisaties en stichtingen/verenigingen met een ruime doelstelling (zoals ‘de belangen van de buurtbewoners') kwamen allengs al minder aan hun trekken.

Ook onder de Afdeling bestuursrechtspraak en andere bestuursrechters moet een steeds terughoudender opstelling worden geconstateerd[14], inmiddels ook ten aanzien van de andere organisaties[15].

De hetze heeft inmiddels ook reeds geleid tot een afbraak van de actio popularis, de beroepsmogelijkheid voor eenieder, op terreinen als ruimtelijke ordening en milieu.

Van meet af aan heeft de rechter wel, vanuit de scheiding van de staatsmachten (de ‘trias politica'), algemeen-belangacties in de vorm van politieke acties, geweerd. Met de formule ‘algemene en collectieve belangen die zij ... in het bijzonder behartigen' in het genoemde derde lid van artikel 1:3 Awb heeft de wetgever volgens de rechter duidelijk willen maken dat politieke partijen geen belanghebbenden zijn in de zin van de Awb.[16] Hoewel die partijen uiteraard ook steeds algemene en collec­tieve belangen willen behartigen, kan gezegd worden dat zij zich de behartiging van in be­ginsel alle algemene en collectieve belangen tot taak rekenen, aldus de wetgever.

Deze redengeving overtuigt niet. Waarom zou immers wel behartiging van één of enkele deelbelangen van het algemeen belang, en die van al die belangen geen rechtsbescherming verdienen? Nog afgezien van het feit, dat er ook politieke partijen zijn (zoals ouderenpartijen en de Partij voor de Dieren), die zich slechts één of meer deelbelangen wil­­len aantrekken. Beter zou het daarom zijn om onderscheid te maken naar categoriale belangen die niet, en andere die wel tot de overheidsverantwoordelijkheid moeten worden gerekend. Slechts van de eerste categorie, dus groepsbelangen die niet tot de overheidsverantwoordelijkheid behoren, lijkt erkenning mogelijk van een ‘class-action' zonder dat allerlei pseudo-overheden opstaan in ons land.

Persoonlijk acht ik het evenwel onjuist dat rechtspersonen als milieugroepen en belangen­organisaties bij de rechter worden toegelaten in acties op grond van hun statutaire doel­stellingen.

Hun daarin gepretendeerde belangen zijn namelijk strikt genomen geen eigen belangen die hen onderscheiden van anderen en waarover zij vrijelijk mo­gen beschikken. Het zijn belangen van hele groepen, of van ons allemaal, dus ook van u en van mij. En van u weet ik het niet, maar ik heb ze geen opdracht gegeven om ook voor mij te spreken. Ze matigen zich dus onbevoegdelijk de rechten en belangen van ook anderen aan; zij annexeren die als het ware; ze eigenen zich die gewoon toe. Maar bij een rechter mag je alleen opkomen voor je eigen belang, en niet voor het belang van je buurman. Zelfs een meerderheid mag in een rechtszaal niet zonder machtiging spreken voor een minderheid (waarbij ik nog maar in het midden laat of dat in een democratie wel mag in een raadszaal!).

Maar omdat deze wantoestand wel nog altijd het enige geldend recht is in ons land, moet je er wel gebruik van maken. Dat doe ik dus zelf ook. Dat wil echter niet zeggen, dat ik er achter sta. En zie ik het goed, dan zijn de opvattingen in deze ook aan het kenteren. Maar daar heeft u nu niets aan.

Conclusie.

Mij is de vraag voorgelegd waar u moet zijn met uw acties: in de raadszaal of de rechtszaal. Het antwoord is dubbel: als wetenschapper zeg ik: uitsluitend in de raadszaal; als adviseur naar positief recht: bij beide.

Persoonlijk echter wil ik, en dat heb ik u bij het begin van deze lezing beloofd, een antwoord geven op de (overigens niet aan mij gestelde) vraag of ik u in deze aangelegenheid als raadsman namens Bureau Bestuursjuridische Advisering terzijde zou willen staan. Ik heb aangekondigd dat ik dit zou weigeren en dat ik u nog zou vertellen waarom.

Het is in ieder geval niet zo, dat mijn kantoor al (evenals vele andere grote advocatenkantoren) afgeknapt zou zijn op de houding van de rechters die de overheid beschermen als ware zij de vertegenwoordiger van de Allerhoogste, tegen welke schandelijke misvatting van recht en rechterlijke functie blijkbaar niet te vechten valt.

Laat ik vooropstellen dat ik met groot respect kennis heb genomen van de door uw vereniging en uw bestuur ondernomen activiteiten en verrichte inspanningen. Het was degelijk Zeeuws werk. Daarmee heeft u eigenlijk meteen ook de belangrijkste reden van mijn afwijzing: ik zou het niet beter kunnen. Maar misschien zeker zo belangrijk is ook, dat uw strijd voor de rechter al finaal gestreden is: met name de uitspraak van 3 augustus 2005 is voor uw zaak fataal, volkomen en definitief. En hiermee moet ik wijzen op het verderfelijke effect dat naar mijn stellige overtuiging ook door de overheid wordt beoogd met de instandhouding van het afwijkende en onjuiste Nederlandse systeem van bestuursrechtspraak: hiermee heeft die overheid zich een rechterlijke legitimatie bezorgd waardoor u ook in de raadszaal nauwelijks meer iets mag verwachten. Waar vroeger politieke en maatschappelijke actie werd gevoerd, wordt nu gezegd: u kunt toch naar de rechter? En als die de overheid gelijk heeft gegeven (of beter geformuleerd: geen ongelijk), dan wordt gezegd: het is toch door de rechter uitgemaakt? Van begin tot einde zult u nu geconfronteerd worden met deze uitspraak en de rechterlijke verwerping van al uw argumenten en belangen. De doodsteek is u bezorgd door het Rapport van de Stichting Advisering bestuursrechtspraak. De rechter speelt voor Pilatus: hij heeft het zelf toch niet beslist en ook niet gezegd dat hij het zelf zó zou doen. Maar de andere hoge staatsmacht, het bestuur, mag en kan hij toch niet corrigeren? Het bestuur en Pro Rail kunnen hun gang gaan.

Aan een echte discussie met Pro Rail zelf kunt u nu ook niet meer toekomen, omdat dit in het moderne bestuursprocesrecht zorgvuldig van de burgerlijke rechter is afgeleid, via de besluit-figuur en de beroepsmogelijkheid daartegen bij de Raad van State. En uw schade, materieel en immaterieel, kan al helemaal geen punt zijn. Zoals bij de planschade bij ruimtelijke ordening ook het geval is, kunt u daar alleen maar om vragen als heel de besluitvorming onherroepelijk in kannen en kruiken is. En als het zover is, krijgt u beslist geen volledige vergoeding van al uw schade, materieel en immaterieel, maar hooguit van die schade waarmee uw positie is verslechterd door het bestreden besluit. Dat klinkt heel redelijk. Maar dat is niet het verschil met wat de situatie vroeger werkelijk was en wat ze nu werkelijk zal zijn, maar met wat vroeger mogelijk was en wat nu extra mogelijk gemaakt is. En ik voorspel u nu al: daar zal waarschijnlijk niets tussen zitten, zodat er voor u niets in zal zitten. De vele procedures terzake van de Nadeelcompensatieregeling Verkeer en Waterstaat hebben dat uit en te na bewezen.

Het klinkt hard, maar het enige wat u in mijn ogen resteert is, dat u maar moet verhuizen of watjes in uw oren stoppen. Kijkt u mij als boodschapper daar alstublieft niet op aan: ik heb het niet bedacht en ik sta er niet achter, maar het is gewoon hetzelfde wat de omwonenden moeten doen van Betuwe-lijn, Schiphol, Maastricht Aachen Airport en Onderbanken.

Een daadwerkelijk doorbreken van deze wantoestanden is enkel mogelijk via de politiek.

Het spijt mij dat ik u niets anders te bieden heb, maar ik dank u niettemin voor uw aandacht.

Ik heb gezegd.

 

 

 

 

Prof.mr. A.Q.C. Tak


[1] HR 23 april 1996, Gem.St. 7035 (Pikmeerarrest).

[2] HR 29 mei 1896, W 6817 (‘Vrouw Elske'); HR 21 april 1898, W 7116 (Rhedense Koe). Deze belegen rechtspraak lijkt officieel achterhaald; kennisname echter van de huidige rechtspraak van zowel burgerlijke rechter als bestuursrechter en de feitelijk toegekende bedragen voor onrechtmatige gezagsuitoefening wijzen duidelijk op een revival.

[3] Ge­recht in eerste aanleg EG 9 aug. 1995, AB 1996, 197 (Greenpeace/Spanje).

[4] Pres. Gerecht in eerste aanleg EG 22 dec. 1995, AB 1996, 219 (Kern­proeven Mururoa).

[5] Bijv. KB (BAB) 18 dec. 1972, AB 1974, nr. 91 (Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee).

[6] KB 8 sept. 1975, AB 1975, 275 (Kerncentrale Borssele).

[7] P.J. Boukema, Democratie en rechtsbescherming; Verzuchting in NTB 1996, p. 144.

[8] Bestuur in geding; Rapport van de werkgroep inzake terugdringing van de juridisering van het openbaar be­stuur (Cie-Van Kemenade); Provinciehuis Noord-Holland, nov. 1997 (Stcrt. 13 nov. 1997, nr. 219, p. 3).

[9] Onthullend vanuit historisch en rechtsvergelijkend perspectief was de ontboezeming van Minister Pronk (VROM) in een bijdrage in het tijdschrift Handhaving (nr. 6 van 2001). Hierin merkte hij op, dat belangen­organisaties soms misbruik maken van bezwaar- en beroepsmogelijkheden, met name als zij telkens bezwaar maken tegen dezelfde issues. ‘Begrijp mij goed, ik heb het hier niet over individuele rechtsbescherming. Naar mijn mening is bij de rechtsbescherming in de hele wet- en regelgeving iets ingebouwd wat volstrekt niet de bedoeling is geweest. Bij de kabinetsformatie was die juridisering voor de VVD een groot probleem. Toen ik hier kwam dacht ik "het zal wel", want in het buitenlands beleid speelt dit niet. Maar ik moet de VVD gelijk geven. Maatschappelijke organisaties maken er expansief gebruik van.'

[10] ABR 9 mei 1996, JB 158: Maxis en Praxis. Zie ook ABR 19 dec. 1996, RAwb 1997, 65 (dwangsombesluit), en ABR 21 april 1998, JB 133, en 30 okt. 1998, JB 280; ABR 9 nov. 1998, Gst. 7092, 8: ‘Die Wende' in milieugeschillen.

[11] Aldus medewerker H.H. Knot in een interview in NRC Handelsblad van 4 januari 2003, Zaterdags Bijvoegsel, p. 25.

[12] ABR 11 sept. 2002, nr. 200100668/1/R1 (Luchthaven Maastricht 6).

[13] ABR 25 febr. 2004, BA 2004.4, p. 24 (Luchthaven Maastricht 10)

[14] Bijv. CBB 20 maart 1994, AB 1994, 544; ABR 20 april 1994, AB 1994, 679. En de Stichting Keerpunt werd bij de Raad van State buiten gehouden, omdat haar statutaire doelstelling onvoldoende specifiek werd bevonden: ABR 15 sept. 2000, AB 2000, 481. Idem: ABR 4 juli 2000, AB 2001, 256. Een andere techniek werd aangewend om de Vereniging van Afvalverwerkers buiten de deur te houden. Deze werd niet aan­gemerkt als belanghebbende bij een besluit van de minister van VROM om de uitvoer van bepaalde stoffen naar Duitsland niet tegen te houden. De Afdeling achtte niet aannemelijk dat de afvalverwerkers, althans de leden van de vereniging, zodanige gevolgen van de uitvoer zouden ondervinden, dat hun collectieve belang bij dit besluit rechtstreeks was betrokken: ABR 11 juli 2001, zaak nr. 200100395/1. In dezelfde zin: ABR 4 juli 2001, in zaak nr. 200002178/1. Zie ook ABR 16 april 2003, AB 347: Verenigingen Recron en Hiswa niet-ontvankelijk omdat zij in casu opkomen voor de belangen van een aantal recreatie-, respectievelijk watersportverenigingen, hetgeen niet kan worden aangemerkt als het behartigen van een algemeen of collectief belang in de zin van art. 1:2 lid 3. Evenmin vloeit uit de dreigende aantasting van de individuele belangen van de ondernemers voort dat het belang van Recron of Hiswa als organisatie in het geding is.

[15] Vgl. een uitspraak als ABR 14 juli 2004, ABkort 561: het statutaire doel van appellanten - de bescherming van de schoonheid en het historisch ruimtelijk karakter van Nederland in het algemeen en van cultuur­monu­men­ten in het bijzonder is zo veelomvattend dat het onvoldoende onderscheidend werkt om op grond daar­van aan te nemen dat het belang van appellante in de zin van art. 1:2 Awb rechtstreeks betrokken is bij de verleende sloopvergunning.

[16] ABR 16 jan. 1996, NJB-katern p. 564, 22; Pres. CBB 16 febr. 2001, AB 168 (Rheden). Zie ook: CBB 13 dec. 2000, AB 2001, 46 (Pernis): wijkraad geen belanghebbende. ABR 9 juni 2004, BA 2004.8, p. 46: beroep Provin­ciale Statenfractie van GroenLinks Limburg, GroenLinks Limburg en anderen, omdat bij de tot­stand­koming van het goedkeuringsbesluit van Provinciale Staten tot opheffing van enkele waterschappen sprake zou zijn geweest van belangenverstrengeling, niet-ontvankelijk: het belang dat appellanten beogen te be­hartigen is het algemene belang van bestuurlijke integriteit en de vermijding van de schijn van partij­dig­heid.

Nieuwe reactie inzenden

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.